Bij het huis van Dougall nabij Hyères
komen Jan en Arie, door een briljante list van Arie, achter het adres van
Dougall in Sète: Rue Fondère 168. Voor het zover is wordt
Jan weliswaar gevangen genomen, maar door de list van Arie weten ze veilig
weg te komen. Jan en Arie gaan dan met gezwinde spoed naar Sète (p. 19 t/m 37).
Eenmaal aangekomen in Sète had Arie de auto geparkeerd op een plein,
de Place Aristide Briand. Terwijl Arie wat eten en drinken ging versieren,
had Jan de gelegenheid om het plein wat beter te bekijken: "Het werd beheerst
door rijen kaarsrechte platanen met een groot bladerdak. Eronder waren
perkjes, kiosken voor de verkoop van fruit en sigaretten, en stukken aangestampte
grond waarop jeu-de-boules kon worden gespeeld, het spel met de ijzeren
ballen waar Fransen uren geconcentreerd mee bezig kunnen zijn. In het midden
van het plein was een ouderwetse muziektent." (p. 68). Aan de overkant
zag hij een bioscoop, of een schouwburg, dat kon hij niet precies zien.
Ik wel, zie foto. Het is deels een bioscoop en deels de Comoedia, zoals
Arie later (p. 95) zeer juist ziet.
De straat vlak achter hem bleek Rue du 11 Novèmbre 1918 te heten.
Vanwaar hij zat kon Jan tussen twee platanen door het postkantoor zien
(Boulevard D. Casanova). In de hoop dat Bob er een bericht heeft achtergelaten
gaat hij, samen met Arie, naar het postkantoor. Het blijkt dat er geen
bericht is van Bob, waarop ze besluiten om naar de Rue Fondère te
gaan. Arie gaat terug naar het postkantoor en koopt een kaart. Daarop zien ze waar de Rue Fondère ligt
(p. 68-70), en na
de plattegrond nader bekeken te hebben gaan ze op weg (p. 71-73).
De Rue Fondère blijkt een straat die vanaf een kanaal een soort
eiland inloopt en die een paar honderd meter verder uitkomt op een schuinlopende
straat. Ze lopen de straat door op zoek naar nummer 168, maar ze komen
maar tot nummer 42. Dan ziet Jan (p.75) hoe een auto van een parkeerruimte,
een braakliggend stuk grond tussen de huizen, naar de straat bumpert. En
ja, daar boven een schuurtje, aan de achterkant van het terrein leest hij "Payer 168". Jan gaat erop af en wordt door een klein jongetje in de luren
gelegd (p. 78). Jan wordt in zijn nekvel gegrepen door een man met een
heel grote hand. Arie moet machteloos toezien.
Hij wordt naar een kelder gebracht en daar
opgesloten (p. 103). Zijn gevangenis blijkt een soort de luxe kamer van
een herenhuis te zijn, compleet met bed, bankstel, tijdschriften, nootjes,
drinken en nog veel meer. Even later wordt hem zelfs een complete maaltijd
gebracht. Een hele tijd later wordt hij naar een vertrek gebracht waar
hij miljonair Dougall ontmoet (p. 108). Deze wil weten wat er aan de hand
is, en na enige aarzelingen vertelt Jan hem bijna alles over hun avonturen
met gangsterbaas Borrini (p. 110-111). Dougall is vol bewondering voor
zijn verhaal en vraagt waarom ze nog steeds achter Borrini aanzitten (p.
112). Jan vertelt hem: "Borrini heeft ons handen vol geld gekost. Hij is
er in onze auto van doorgegaan en we hebben hem tot in Frankrijk achterna
moeten zitten voor we onze eigen wagen terug hadden". Dougall: "Jullie
zijn doorgegaan omwille van de centen. Om hoeveel geld gaat het?" Nog voordat
Jan is uitgerekend biedt Dougall hem 30.000 francs aan, en vertelt dat
hij wel zal zien dat hij dat van Borrini terugkrijgt. Na een kort verblijf
in zijn luxe gevangenis wordt Jan vrijgelaten (p. 118).
Jan vertrouwt het niet (p. 119) en veronderstelt
dat hij gevolgd wordt (p. 121). Jan besluit om naar het centrum te lopen
en de cheque in veiligheid te brengen (p. 121). Op weg naar het centrum
ziet hij opeens Bob. Hij blijft met een ruk staan, kijkt verwilderd om
zich heen en begint met de armen te fladderen als een aangeschoten vogel
en sist tegen Bob: "Weg, weg. Duvel op. Smeer 'm, sukkel. Vlug" (p. 131-132).
Jan loopt vlug door en geeft Bob het nakijken. Vlak bij de Place Aristide
Briand loopt Jan een bank binnen en stort de 30.000 francs op zijn rekening
in Nederland (p. 135). Vervolgens zoekt hij een schaduwrijk hoekje op op
een van de terrassen op de Place Aristide Briand (p 135).
Wordt vervolgd bij "Belevenissen
van Jan Prins, Arie Roos, en Bob Evers".
http://home.wxs.nl/~ataxia/meinders/bobevers/be38.html
Alle
citaten komen uit het boek "Een festival vol verwikkelingen" van Peter
de Zwaan, deel 38 van de Bob Evers-serie. Het copyright hiervan berust
bij Uitgeverij De Eekhoorn BV.