|
(Reclame)
Zusjesliefde
Hèt Sinterklaas/Kerstcadeau voor iedereen die een zusje
heeft, een zusje is of een zusje wil.

Zusjesliefde
Lia Peters
(= Lia Krijnen en Peter de Zwaan)
ISBN 978-90-8660-158-5
Prijs € 19,95
Aantal pagina's 380
Verschenen 30-10-2011
In Zusjesliefde wordt de zoektocht beschreven van Anne Procee, telg uit de welgestelde Enschedese familie Kingma - Ter Kuile, naar haar verdwenen zuster Liz. Het verhaal wordt verteld vanuit de gedachtenwereld van Anne en Liz die allebei een last met zich meedragen: ze schakelden de politie in na de ontvoering van hun zuster Helen die vermoord werd teruggevonden in het Lutterzand nadat een poging losgeld te betalen mislukte. Ferdie, de man van Helen, is ervan overtuigd dat de dood van zijn vrouw het gevolg was van een blunder van de politie.
Binnen een jaar na de begrafenis van Helen trouwt Ferdie met Liz. Als Liz niet thuiskomt na een bezoek aan haar vriendin besluiten Ferdie en Anne geen contact op te nemen met de politie, ook niet als blijkt dat Liz is gekidnapt. Anne schakelt een oud-werknemer van haar vader in om te helpen bij de opsporing van haar zusje. Ferdie onttrekt zich aan hun zoektocht en gaat zijn eigen weg. Hij wordt gezien bij seksclubs in Gronau en Overdinkel en in het Lutterzand. Tijdens de speurtocht komt Anne erachter dat de familieverhoudingen anders blijken te zijn dan ze altijd heeft gedacht en dat Ferdie en Liz al jaren een geheim leven leiden. De ontknoping vindt plaats in een gehucht in Normandië. De rest van het verhaal speelt zich af in Enschede, in het gebied rond het Lutterzand.
Lees meer >>
|
door
PETER DE ZWAAN
Copyright (c) 2011 bij Peter de Zwaan
Hoe krijgen we Jan Prins terug?
In het midden van de immense eetzaal aan boord van het
cruiseschip SeaRose was een ronde tafel extra feestelijk gedekt. Het
tafelzilver glansde net iets meer dan het zilver op de omringende tafels,
de glazen flonkerden zo dat je je ogen samenkneep als je er naar keek en
de flessen drank stonden zuiver in het gelid. Op anderhalve meter van de
tafel stonden een maître ‘d, een ober, een assistent ober en een wijnober
kaarsrecht naast elkaar met de handen op de rug en de ogen gericht op een
stevige man met een verweerd gezicht die probeerde te kijken of hij hield
van plechtige gebeurtenissen. Af en toe glimlachte hij, meestal nadat hij
een snelle blik had geworpen op twee jongens die tegenover hem zaten, de
dikste geperst in een smoking die iets te klein was waardoor hij moeite
had met inademen, de andere met een gezicht waarop was af te lezen dat hij
een diep verlangen had naar ongeveer elke plaats op aarde waar het begrip
cruiseschip onbekend was. De man met het verweerde gezicht droeg de naam
Holdert en hij was kapitein van de SeaRose. De jongens luisterden naar de
namen Arie Roos en Bob Evers en ze zaten erbij of ze een studie maakten
van het vlekkeloze damasten tafelkleed.
Af en toe klonken er zuchten. De diepste waren van Arie en elke zucht van
hem leidde tot een zacht gegrom van kapitein Holdert en verstoorde blikken
van de vier andere personen aan de tafel die zich afvroegen hoe een dikke
jongens er in slaagde elke minuut drie mini-windhozen over de tafel te
blazen. De man tegenover Arie, een Mexicaanse miljonair die samen met zijn
dochter op stap was, klemde elke keer als hij een hoos zag aankomen zijn
glas vast om te voorkomen dat de wijn over de rand schuimde. Het
Amerikaanse stel dat rechts van Holdert zat sprak vooral met elkaar en met
de kapitein en negeerde de jongens volkomen. De twee behoorden tot de
groep mensen die jaarlijks vijf of meer cruises maken en ze hadden na één
blik vastgesteld dat Arie en Bob geen deel uitmaakten van de passagiers
met wie rijke cruise-ervaringen konden worden uitgewisseld.
‘Formal day,’ zei Bob toen hij een stukje brood had besmeerd met
uienboter. ‘Formele dag. De dag waarop alle passagiers op hun best gekleed
behoren te gaan. Ik kan er de klinkklare lol niet van inzien.’
Arie keek uit zijn ooghoeken naar een tafeltje in de hoek van de eetzaal.
‘Daar zit een groep mensen die zich niets van de kledingregels heeft
aangetrokken en zo te horen hebben ze daar een stuk meer plezier dan wij
hier.’
‘Als ik ooit weer een cruise maak dan blijf ik op de formele dagen in mijn
hut, dat kan ik je nu al garanderen.’
Arie gromde zacht. ‘Besef jij wel, jongeheer Evers, dat ik, nog geen week
geleden, op eenzelfde manier opgeprikt zat? Dat was in een zaal in
Amsterdam, kort voor dit dolle avontuur met mensensmokkelaars en
premiejagers begon.’
‘Kun je zeggen dat je ervaringsdeskundige bent, dikke. Voor mij is het de
eerste keer en het valt me niet mee. Zogauw ik weet wie de smoking heeft
bedacht ga ik een praatje met hem maken. Samen met een eind hardhout. Maar
we hadden het kunnen weten.’
‘Wat, Bobbie.’
‘Dat jouw vader ons niet op een plezierreisje zou sturen. Ga even naar San
Diego in de staat Californië en kijk wat rond op de SeaRose, zei hij. Haha.
We hadden kunnen bedenken dat er een dubbele bodem onder het verzoek zou
liggen.’
‘Een driedubbele,’ zei Arie die een nieuwe zucht loosde en de Mexicaan
naar zijn glas zag grijpen. ‘Een driedubbele met eronder een grasveld vol
adders. En wat is het resultaat? Dat we hier zitten, samengeperst in
kleren die ons niet bevallen, aan een tafel met mensen die we nooit weer
hopen te zien en onder toezicht van een kapitein die zit te hopen dat we
morgen van boord gaan en niet terugkeren.’
‘Met dat laatste zal ik hem volgaarne helpen,’ zei Bob. ‘Ik wil van boord,
hoe sneller hoe liever en ik kan heel goed leven zonder Holdert. Maar voor
het zover is zullen we ons door dit hele diner heen moeten roeien. Hoeveel
gangen heeft het eigenlijk?’
‘Minstens vijf,’ zei Arie, terwijl hij een broodje pakte, wachtte tot
niemand naar hem keek en het in één keer in zijn mond schoof. ‘Captains
dinner. Het diner van de kapitein. Wat een plezie…’ Hij hield snel een
hand voor zijn mond om de stukjes brood op te vangen die zijn mond uit
schoten. ‘Sorry. Men sproeit geen brood als men aanzit aan het kapiteins
diner.’
‘Het wordt beschouwd als niet in de haak,’ zei Bob.
‘Onbeschaafd?’
‘Afgaande op het gezicht van de dochter van die Mexicaan wel, ja Weet je
zeker dat je haar niet hebt geraakt?’
Arie keek snel naar de vrouw die haar gezicht zat te deppen met haar
servet en werd langzaam rood. ‘Zie jij wat ik zie, Bob?’
Bob zag het ook en hij voelde zich warm worden. Een klein stukje brood
overleefde het deppen en bleef zitten, net naast de neus, ongeveer op de
plek waar fotomodellen een zwarte stip zetten omdat ze denken dat ze er
mooier door uitzien. Sommige modellen doen dat inderdaad, maar deze vrouw
niet. Het stukje kleefde niet ver van een van haar neusvleugels en omdat
die tamelijk breed waren leek het of de neusvleugel er contact mee maakte.
Als ze haar bovenlip optrok vormde de vleugel een soort afdak boven het
stukje alsof het het brood wilde beschermen.
Bob keek er naar met grote fascinatie en na een poosje volgde kapitein
Holdert zijn blik.
Arie zag hem bleek worden en een beweging maken of hij het stukje wilde
wegvegen. Halverwege de beweging verstijfde hij, blijkbaar beseffend dat
het geen gewoonte hoort te zijn van kapiteins om de gezichten van hun
gasten op te poetsen.
Arie hoorde hem binnensmonds grommen en zag hem met een wilde blik naar
hem en Bob kijken, alsof hij hen beide verantwoordelijk stelde voor een
situatie die voor een ordentelijke cruisekapitein meer dan ongelukkig was.
Arie wist wat Holdert dacht en hij wist voldoende van de gang van zaken op
plezierschepen om met hem mee te voelen. Kapiteins van drijvende kastelen
met honderden passagiers behoren zich minstens één avond in de week met de
gasten bezig te houden. Er zijn kapiteins die het vaker doen, maar de
meeste blijven het liefst op de brug en laten de contacten met de
passagiers over aan de hotelmanager of de eerste stuurman. Kapitein
Holdert behoorde tot de laatste soort en elke captains day was hem een
kwelling. Op een cruise van een week of meer zijn er minstens twee formal
days waarop de smokings en de avondjurken uit de kast kunnen. De meest
officiële formele dag wordt captains day genoemd, kapiteins dag, en op die
dag geeft de kapitein van een cruiseschip, gestoken in galakleding, een
receptie waarop hij zich op de foto laat zetten met iedere gast die daar
behoefte toe voelt. Meestal duurt de receptie een paar uur en er is geen
minuut bij waarop een kapitein niet doet of juist deze receptie de mooiste
van zijn leven is. Als de champagne op is gaat hij naar de eetzaal om daar
aan te schuiven aan de mooiste tafel waarover het schip beschikt, samen
met de belangrijkste gasten, miljonairs zoals de Mexicaan en zijn dochter,
of geharde cruiseliefhebbers zoals het Amerikaanse stel dat bezig was aan
de 23ste tocht over de wereldzeeën. Dat Bob en Arie een plaatsje aan juist
deze tafel hadden gekregen had twee redenen. De belangrijkste was dat
kapitein Holdert een oog op de jongens wilde houden die hij zag als
eersteklas addergebroed. De tweede reden bestond uit het feit dat het
verhaal dat een passagier van de verdrinkingsdood was gered door een
jongen die het vuile water van de haven van Acapulco was ingedoken als een
lopend vuurtje was rondgegaan, vergezeld van verzinsels over
drugssmokkelaars en illegale Mexicaanse immigranten. Niemand wist daar het
fijne van, maar dat was geen bezwaar: een verhaal laat zich het best
aandikken als je geen last hebt van feiten.
Kapitein Holderts enige wens op captains day was dat de dag gladjes zou
mogen verlopen en daar hoorden beslist geen stukjes brood bij die aan het
gezicht kleefden van een miljonairsdochter die om de haverklap op de foto
werd gezet door gasten die een herinnering aan de feestelijke tafel wilden
hebben. Als de dochter 12 of 13 jaar was geweest zou kapitein Holdert zich
hebben kunnen redden met een grapje en een opmerking tegen pa over
knoeiende kinderen, maar in dit geval kon daar geen sprake van zijn.
Bob zat aan iets dergelijks te denken toen hij zich opzij boog en
fluisterde: ‘Volgens mij knapt die dame erg op van die vlek naast haar
neus. Hoe oud denk je dat ze is?’
‘Achter in de vijftig?’
‘En pappie is 86 of zoiets. Hij kraakt als hij beweegt. Ho, zie je dat?’
Arie zag het en hij voelde bijna de opluchting van kapitein Holdert. Het
stukje werd na het maximaal optrekken van de bovenlip geraakt door de
neusvleugel en viel via de schouder op de tafel. De vrouw wreef over haar
neus alsof ze iets voelde kriebelen en keek naar kapitein Holdert die zijn
gezicht in de plooi hield en een verhaal begon over de geneugten van het
varen langs Mexicaanse kusten.
‘Ook weer opgelost,’ zei Bob. ‘Zo gaat het met bijna alles, rooie. Gewoon
geen aandacht aan schenken dan gaat het vanzelf over.’
‘Vertel dat vanavond maar aan onze kapitein. Ik vrees dat hij er anders
over denkt.’
‘Hij is blij dat we niet zijn opgestaan om het stukje van de wang te
pikken.’
‘Zoals we dat deden met knikkeren, bedoel je?’
Bob onderdrukte een lach. ‘Met je wijsvinger langs je duim. Ik probeer het
wel eens met vliegen.’
‘Nog even en ik probeer het met kruimels die op mijn bord liggen. Ik dacht
dat we hier zaten voor een perfecte maaltijd.’
‘Daarvoor moet je eerst honger lijden,’ zei Bob. ‘Volgens mij letten de
obers vooral op jou omdat je de volvetste aan boord bent. Het scheelt
weinig met sommige van de andere gasten, maar je wint het nog net.’ Hij
wees naar het viertal dat met de handen op de rug had staan kijken. ‘Er
komt beweging in de club.’
‘Niks te vroeg. Ik zat net te denken aan iets drastisch.’
‘Op voedselgebied?’
Arie loosde zijn zoveelste zucht, grijnsde toen de Mexicaan zijn
langzamerhand automatische beweging naar zijn glas maakte en streek over
zijn maag. ‘Tot nu toe heb ik alleen mini-kadetten gehad. Plus 83 lekkere
luchten die vanuit de keuken of de lift waarin het eten vanuit de keuken
wordt aangevoerd door deze zaal drijven. Maar van lekkere luchten alleen
kan mijn motor niet draaien.’
‘Daarom denk jij aan iets drastisch. Iets als naar de keuken rennen en
alle planken leeggrazen zodat voor de rest van de passagiers niets over is
en ze zich op kapitein Holdert storten?’
‘Eerder iets als overboord springen,’ zei Arie. Hij veegde de glimlach van
zijn gezicht en keek ernstig. ‘En dan terugzwemmen naar Acapulco. Ik wil
weten wat Jan uitspookt. Het is de eerste keer dat we een opdracht hebben
volbracht zonder dat we dat met ons drieën kunnen vieren. Het leek
vanmiddag heel logisch, wij op het schip en Jan in Acapulco, maar het
resultaat is dat we volkomen uit elkaar zijn geslagen en dat we daar niets
aan kunnen doen omdat er geen enkele vorm van communicatie mogelijk is.
Besef je dat, jonge Evers.’
‘Al te goed, bolle, en bij elke zeemijl die dit schip aflegt wordt de
afstand groter. Wij kunnen Jan niet bereiken omdat onze mobieltjes geen
bereik hebben en Jan kan ons niet bellen om dezelfde reden.’
Arie veegde een paar kruimels bij elkaar met een vochtige vinger en stopte
ze in zijn mond. ‘Dit schip heeft een gps-systeem. We kunnen bellen, maar
…’
‘… dan is er grote kans dat onze kapitein ervan hoort en meeluistert of
laat luisteren. En dat willen we niet.’
‘Dat willen we zeker niet,’ beaamde Arie. ‘Wis en zeker onder geen
voorwaarde willen we dat.’ Hij zette aan voor een zucht, zag de Mexicaan
naar zijn glas grijpen en knikte vriendelijk naar kapitein Holdert die
keek alsof hij aanvoelde dat over hem werd gesproken. ‘Honger,’ zei hij.
‘Van mijn moeder mag ik geen honger zeggen. Ze zegt dat ik hooguit trek
heb, maar mijn maag noemt het honger. Denkt u dat we vanavond ….’
‘Nu,’ zei Holdert strak. ‘Caesar salade voor je vriend en slakken voor
jou. Ik heb meteen twee porties escargots laten komen, want ik wil dat je
goed gevoed wordt vanavond.’
‘Dank u zeer,’ zei Arie aangedaan.
‘Dan weet ik tenminste zeker dat je blijft drijven nadat ik je overboord
heb geschopt omdat je de hele avond zit te smiespelen en brood zit te
sproeien. Ik denk wel dat ik je vader uit kan leggen dat je een gevaar
voor de belangrijkste gasten aan boord van dit schip bent.’ Hij ging met
een ruk staan, streek zijn pak glad en dwong zijn gezicht tot een
glimlach. ‘Iedereen is voorzien, zie ik. Dan wens ik u, mede namens reder
Roos en de gehele bemanning, smakelijk eten aan boord van het prachtige
cruiseschip SeaRose.’
Tweeënhalf uur later liet Bob Evers zich kreunend op het bed in hut 735
vallen.
‘Het duurt even, maar dan krijg je ook wat,’ zei hij terwijl hij zich uit
zijn smoking wurmde. ‘Ik heb genoeg gegeten voor drie dagen. Wat doen we
met deze kleren?’
‘In de badkamer leggen,’ zei Arie die diep ademhaalde nadat hij het
vlinderdasje had verwijderd. ‘Gewoon op de natte handdoeken leggen, deze
martelkledij. Of overboord zwiepen.’
‘Krijg je ruzie met de man die ervoor moet zorgen dat er niets in de plomp
wordt gesmeten. Zo iemand hebben ze aan boord, echt waar.’
Arie trok een wenkbrauw op. ‘Hoe denkt hij dat voor elkaar te fiegelieren?’
‘Geen flauw idee. Misschien duikt hij de oceaan in als hij een papiertje
met het opschrift SeaRose ziet, weet jij veel?’
‘Weet jij veel, weet ik veel,’ neuriede Arie die zijn broek naar de plek
mikte waar zijn schoenen lagen. ‘Ik geloof waarachtig dat ik nog een
gaatje heb. Door die broek en dat vest dacht ik werkelijk dat ik aan mijn
tax zat, maar nu …’ Hij rolde zich om tot hij bij het koelkastje naast het
bed was, opende het en trok een harde worst van 25 centimeter te
voorschijn waar hij in alle rust het velletje van af peuterde.
Bob hijgde licht terwijl hij toekeek. ‘Honger? Heb jij …’ hij gaf een tik
tegen de wand bij elke lettergreep. ‘Heb jij hon-ger, jij vraat-zuch-ti-ge
pot-vis? Jij hebt twee porties slakken op, plus de Black Tiger garnalen
die de dochter van die Mexicaan bij nader inzien niet bliefde, daarna een
stuk geroosterd vlees waar ze de tafel bijna voor moesten verlengen,
geserveerd met salade, sinaasappels en een soort frites waarvan ik het
bestaan niet vermoedde. Vervolgens twee Seberian omeletten, een bak ijs en
cola omdat meneer vond dat er te weinig koffie in de kopjes kon. En nu nog
hon-ger?’
‘Trek,’ zei Arie. ‘Honger mag niet van me moe.’
Bob keek vol afgrijzen naar de worst. ‘Ik kan geen voedsel meer zien.’
‘Kun je beter niet naar me kijken,’ zei Arie die een hap nam. ‘Prima
worst. Hoogstpersoonlijk gebietst in de keuken. Ze keken een beetje raar
toen ik binnenliep, maar ja, stuur de zoon van de baas maar eens weg.’
Bob maakte wurgbewegingen met beide handen. ‘Dus, jij verwaten reuzelrol,
hebt een potje lopen opscheppen.’
‘Nee hoor,’ zei Arie terwijl hij de stukjes worst nakeek die door de lucht
vlogen. ‘Ik kan nu geen Mexicaanse dochters van een miljonair raken dus
mij kan niets gebeuren. Nee hoor, zei ik, ze wisten niet direct wie ik
was, maar toen ik vertelde dat ik het vriendje ben van die dappere
Amerikaanse jongen die een Mexicaanse boef van een gruwelijke dood heeft
gered kreeg ik zes stukken worst en drie hompen kaas aangeboden. En een
appel. Die heb ik voor jou meegenomen, voor als je vitaminegebrek krijgt.’
‘Als ik tekort krijg aan vitaminen neem ik een hap uit een van je kuiten,’
zei Bob dreigend. ‘Daar zitten alle voedingsstoffen in die jij over hebt.
In je kuiten en in je buik. Jij kunt bovendien wel een pondje missen,
beter dan die man in Venetië waar Shakespeare ooit over schreef. Aan een
Roos zo volgehangen mist men een, twee pondjes niet. Wat ik alleen niet
snap is waarom je nu al eet. Je hebt van alles een dubbele portie
gekregen. Als waardering voor wat we de afgelopen dagen hebben
gepresteerd. Ik hoorde het de kapitein tegen het Amerikaanse duo zeggen.’
Arie liet het restant worst voor zijn mond zweven. ‘Zei hij dat echt?’
‘Echt en eerlijk. Volgens mij is hij diep in zijn hart trots op wat we
hebben bereikt. De kans dat hij zijn baan houdt is er ook heel wat groter
door geworden.’
‘Omdat hij nu maatregelen kan nemen tegen het meevaren van verstekelingen,
bedoel je.’
‘Precies, dikke. Ga maar na wat we voor elkaar hebben gebokst sinds de
avond waarop jouw pa ons op een duistere missie stuurde.’
Arie knikte kort en legde de worst weg. Het werd tijd om een paar zaken
serieus samen te vatten en een plan te maken voor fase twee van een
avontuur waarin ze hals over kop door pa Roos na samenspraak met de vaders
van Jan en Bob waren gestort. ‘Juist door het vage van de missie hebben we
resultaten bereikt. We hadden geen idee wat van ons werd verwacht en
daardoor stapten we niet met vooroordelen en zinloze plannen aan boord van
dit schip.’
Bob gaf een knor. ‘Voor we het schip zelfs maar hadden gezien voelden we
aan ons water dat er iets scheef zat met een Mexicaan die Antonio Rivas
werd genoemd en een bonk van een Amerikaanse premiejager die de naam Bruce
Jonaths bleek te dragen.’
‘Aan ons zeewater,’ beaamde Arie. ‘Schuimend zeewater vol Mexicaanse
familieleden met de achternaam Rivas, broers, neven, vrouwen en afgelopen
middag op die markt in Acapulco waarschijnlijk ook nog een horde
achterneven en verdere vage verwanten. Het was daar een beste kloppartij
die makkelijk verkeerd had kunnen aflopen.’
‘Maar het niet deed, dikke, en dat is wat telt. Antonio Rivas kwam als
verstekeling aan boord van dit schip en wij ontdekten hoe hij dat
klaarspeelde. We vingen bovendien de man die hem vanaf Salt Lake City
achterna zat met het doel hem terug te brengen naar de rechtbank in die
stad waar hij voor een koppeltje rechters uit moet uitleggen hoe hij
minstens zes bedrijven heeft kunnen oplichten.’
‘Voor om en nabij vijf miljoen dollar, volgens Bruce Jonaths. Ik zou wel
eens willen weten welke bedrijven zo stom waren hem hun geld toe te
vertrouwen.’
‘Antonio is accountant. Accountants gaan nu eenmaal om met geld.’
‘Deze anders wel heel handig. Hij sluisde het naar zijn eigen rekening.
Ergens bij een bank op de Bahama’s of op de Cayman Islands, wat ik je
brom.’
‘Je bromt maar een eind weg. Belangrijker is dat Jan niet meer te houden
was toen hij het bedrag van vijf miljoen hoorde. Antonio Rivas werd voor
hem op slag De Man Van Vijf Miljoen. Met hoofdletters. Jan is van plan een
aanzienlijk deel van dat bedrag in handen te krijgen.’
‘Premiejager Jonaths heeft een papier getekend waarop staat dat hij Jan
30.000 dollar betaalt als onze Prins hem helpt Antonio te pakken en in de
staat Utah af te leveren.’
‘Alsof zo’n papiertje iets zegt en als iemand dat weet is het Jan. Hij
vertrouwt Jonaths voor geen Amerikaanse penny en geen halve Mexicaanse
pesos. De man is niet verder te vertrouwen dan we hem zien en aangezien
dit schip met een snelheid van 21 knopen vaart wordt dat zien 21 zeemijl
in het uur moeilijker.’
‘Hoeveel is een zeemijl ook weer?’
Dat wist Bob op een prik. ‘1852 Meter. In een uur is dat ...,’ hij sloot
zijn ogen terwijl hij rekende, ‘ bijna 39 kilometer. Aangezien we al een
uur of zes varen is de kans dat we Jonaths spoedig in het oog krijgen
verwaarloosbaar klein.’
Arie rolde zich op zijn rug en keek naar het plafond. ‘Ik zie daar een
vlekje. Hebben ze ook iemand aan boord die vlekjes wegwerkt?’
‘Minstens 72 personen, bolle, en dat weet je. Maak nou geen geintjes. Wij
drijven hier en Jan is ergens ver achter ons. Met een premiejager die hij
niet kan vertrouwen en woedende leden van de familie Rivas die een paar
ton citroenen met ons te schillen hebben. Door ons toedoen zitten twee
personen op dit schip in een soort primitieve cel en is er ruzie tussen
een aantal familieleden die, al dan niet voorzien van builen, in of bij
Acapulco naar elkaar op zoek zijn.’
‘Dat laatste weet je niet, maar vermoed je.’
‘Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. Antonio Rivas is door
zijn broer Eduardo en diens vrouw Cristina van San Diego naar Mexico
geholpen. Cristina zit vast op dit schip en Antonio is verdwenen voor hij
Eduardo voor diens diensten heeft betaald. Een andere uitleg kan ik niet
geven voor de ruzies die in Acapulco zijn ontstaan.’
‘Dus,’ zei Arie die voorzichtig zijn buik masseerde, ‘moeten we er vanuit
gaan dat Antonio ergens ronddoolt en dat niet alleen premiejager Bruce
Jonaths, maar ook een deel van zijn familie naar hem op zoek is.’
‘Spijker op de kop, dikke. Net als Jan. Hij volgt het spoor van Jonaths en
als die kans ziet zich de woede van een stel Rivassen op de hals te halen
dan zit Jan voor hij het beseft midden in een Mexicaans-Amerikaanse
mini-oorlog. En reken maar dat het misgaat, want Jonaths ziet er wel stoer
uit en hij doet ook heel stoer, maar het kost hem moeite om door te
krijgen dat een Mexicaan achter de kladden zitten in Mexico echt iets
anders is dan een Mexicaan volgen in de USA. Hij kan wat dat betreft heel
wat van ons leren. Alleen doet hij dat niet.’
Arie schoot in de lach. ‘Nooit en te nimmer.’
‘Voor geen geld.’
‘Omdat grote, stoere mannen nu eenmaal weigeren iets te leren van jongens
die in hun ogen groener zijn dan het kunstgras op de minigolfbaan op het
bovendek van dit schip. Dat weten we maar al te goed.’
Bob maakte een grommend geluid. ‘We weten het en laten we het alsjeblieft
onthouden. Jonaths begaat vroeg of laat een stommiteit en als Jan dan in
zijn buurt is kan er ik weet niet wat gebeuren. Ik zou tegen die tijd
graag in de buurt zijn om een handje toe te steken.’
‘Twee handen,’ zei Arie. ‘En voeten. Mijn buik desnoods. Maar daar kunnen
we natuurlijk over doorzeuren tot we een ons wegen … wat nou weer.’
‘Heb jij enig idee hoelang het duurt voor jij een ons weegt. Zolang mag
het echt niet duren hoor, voor we Jan terug hebben.’
Arie bewoog tot hij de worst te pakken had en nam een hap. ‘Alleen een
Roos die eet is zijn gewicht in pesos waard,’ zei hij waardig. ‘Weten we
zeker dat we Jan terug willen? Het is wel lekker rustig zo. Ik heb al tien
uur lang niemand over geld horen klagen.’
‘Aan boord van dit schip klaagt Jan overigens opvallend weinig over geld
hoor. Alles is gratis.’
‘Behalve de cola dan altijd. Jij was er niet bij, maar hij plengde hete
tranen toen hij cola had besteld en hij na de eerste slok hoorde dat hij
ervoor moest betalen. Hij heeft precies een uur en 47 minuten over het
leegdrinken van het glas gedaan. Ik heb het geklokt.’
‘Na drie dagen zonder Jan gaan we zelf over geld zeuren, dat verzeker ik
je. Gewoon, omdat we aan dat soort geklaag gewend zijn en het niet meer
kunnen missen.’
‘Klaagverslaving, bedoel je.’
‘Zoiets, dikke. Of Prinsverslaving en probeer daar maar eens af te komen.
Ik wil hem terug.’
Arie peuterde aan een stukje worst dat tussen zijn kiezen zat. ‘De smaak
is goed, maar een stukje dat klem zit krijg je bijna niet te pakken.
Morgen zijn we in een oord dat Huatulco of zoiets heet en daar gaan we van
boord.’
‘En dan, dikke. Zwemmen we terug naar Acapulco, of liften we mee met een
cruiseschip dat die kant op gaat?’
‘Dan bellen we Jan. Als hij opneemt horen we waar hij is. Dat hoeft
helemaal Acapulco niet meer te zijn. Als Jonaths Antonio bij de kladden
weet te krijgen sleurt hij hem mee richting de Verenigde Staten, maar als
Antonio nog steeds vrij man is dan is hij misschien nu op weg naar Mexico
City of naar een dorp in het binnenland.’
‘Dus …’
‘Dus gaan we slapen, Bobby. Zorgen maken is zinloos en kost energie. Jan
kan zich redden. Krijgen we hem niet te pakken dan vliegen we naar
Acapulco en proberen we daar zijn spoor op te pikken. Neemt hij de
telefoon op dan doen we wat hij ons zegt te doen. Omdat de ervaring leert
dat we uren en uren slaap tekort komen als we eenmaal aan het rondraggen
zijn stel ik voor dat we gaan maffen. Dit bed heeft een Pullmanmatras en
daar lig ik voortreffelijk op.’
‘Wat doe ik. Blijf ik hier of ga ik naar hut 781?’
‘Jij gaat naar je eigen hut,’ zei Arie. ‘Niet omdat niemand mag weten dat
we elkaar kennen, want dat opzetje is grondig mislukt, maar omdat je soms
snurkt.’
‘Ronken,’ zei Bob verontwaardigd. ‘Ik schijn soms een bescheiden ronkje te
hebben. In het niet vallend bij de geluiden die jij ’s nachts maakt. Ik
ronk door mijn neus, jij snurkt door je buik.’
‘Dat heet verteren,’ zei Arie. ‘Scheer je weg, eigenwijze yank, en droom
van Rivassen die koffers met dollars torsen of die zichzelf te water
laten. Morgen gaan we aan wal en dan horen we, naar ik vurig hoop, hoe het
Jan is vergaan.’
‘Vast niet zo relaxed als ons,’ zei Bob.
Arie klopte op zijn buik. ‘Zeer waarschijnlijk niet, maar de lucht van
vijf miljoen dollars houdt Jan dagenlang in topvorm. Je kent hem: als hij
droomt van geld is hij gelukkig en Jan hoeft beslist niet te slapen om van
geld te kunnen dromen.’
‘Zolang hij maar niet in dromenland is omdat Antonio Rivas of een van zijn
familieleden een serie bulten op zijn Prinsenschedel heeft geslagen. Dat
is waar ik me toch een beetje zorgen over maak, dikke.’
‘Ik ook,’ zei Arie ernstig. ‘We hadden de zaak anders moeten aanpakken,
maar nu kunnen we er niets aan veranderen en daarom zeg ik: tabee en slaap
ze. Trek wel eerst je smoking aan, de gasten op dit schip zijn niet van
het slag dat ze zonder hulp van een psychiater een halfontblote jongen op
spillebenen kunnen verwerken.’ Hij draaide zich op zijn zij, gaapte tot
het schilderij aan de muur bewoog en sloot zijn ogen.
Bob Evers bleef enkele ogenblikken onbeweeglijk staan, haalde zijn
schouders op, mompelde iets en grabbelde zijn kleren bij elkaar.
Vijf minuten later klonk er geronk uit neus en buik in de hutten 735 en
781. |